Als zelfstandig ondernemer is het wettelijk pensioen dat u later zult krijgen niet meteen een vetpot. Wilt u uw levensstandaard op peil houden, dan zult u dus zelf moeten sparen om dit pensioen aan te vullen. Daar profiteert u niet alleen later van, ook vandaag brengt het al heel wat fiscale voordelen mee. Stijn Hulstaert, Tax & Legal Advisor, legt uit. 

De wetgever heeft voor ondernemers verschillende instrumenten uitgewerkt waarmee ze hun wettelijk pensioen zelf kunnen aanvullen. De belangrijkste zijn het VAPZ (Vrij Aanvullend Pensioen voor Zelfstandigen), de IPT (Individuele Pensioentoezegging) en de POZ (Pensioenovereenkomst voor Zelfstandigen). 

VAPZ: fiscaal interessant

“Of ze nu als eenmanszaak werken, dan wel in vennootschap, de eerste stap zal voor de meeste zelfstandigen het afsluiten van een VAPZ zijn”, zegt Hulstaert. “Hoeveel geld u daarin steekt, bepaalt u zelf: wel is er een maximumgrens, namelijk 8,17% van uw geïndexeerd netto-inkomen van drie jaar terug, met 3.256,87 € als absoluut plafond voor 2019. De wetgever heeft het VAPZ fiscaal erg interessant gemaakt. U betaalt sowieso geen premietaksen op een VAPZ, en u mag de bijdragen ook inbrengen als fiscale aftrekpost in uw belastingen. Omdat op die manier uw belastbare basis daalt, betaalt u ook minder sociale bijdragen.

Maximaal plafond

Het VAPZ heeft eigenlijk maar één nadeel: het maximale plafond van 3.256,87 € wordt vrij snel bereikt, zeker als u als zelfstandige goed boert. “Met een jaarinkomen van 35 à 40.000 € zit je al aan het maximum”, legt Hulstaert uit. “Om die bovengrens verder te verhogen, bestaan er twee oplossingen: de IPT, dat bedoeld is voor vennootschappen en, sinds vorig jaar, de POZ, dat bedoeld is voor zelfstandigen zonder vennootschap.” 

POZ: extra pensioenopbouw voor eenmanszaken

De IPT brengt voor vennootschappen hetzelfde voordeel mee als de POZ voor zelfstandigen
Laten we beginnen met de POZ. Deze formule is bedoeld om kleine zelfstandigen voor hun pensioen te laten sparen, bovenop hun VAPZ (hoewel het hebben van een VAPZ geen vereiste is om een POZ af te sluiten). “In principe is er hier geen maximumbedrag wat betreft de premies die u stort”, zegt Hulstaert. “Het enige waar u mee rekening moet houden, is de zogenaamde 80%-regel. Uw uiteindelijke pensioen (de combinatie van het wettelijk pensioen en alle aanvullingen die u zelf bij mekaar spaart) mag niet hoger liggen dan 80% van het laatste beroepsinkomen. Hoe hoog dat bedrag is, is uiteraard een schatting. Voor het wettelijk pensioen gaat men bijvoorbeeld uit van 25% van het jaarlijkse bruto-jaarinkomen, rekening houdend met de geldende minimum- en maximumpensioenen.” 

IPT: de POZ van de vennootschappen

De mogelijkheid voor zelfstandigen om een POZ af te sluiten, bestaat nog maar sinds begin dit jaar. Daarmee wilde de wetgever een verschillende behandeling wegwerken tussen zelfstandigen zonder en zelfstandigen mét een vennootschap. Die laatste groep had immers al veel langer een methode om hun VAPZ aan te vullen: de IPT. “De IPT brengt voor vennootschappen hetzelfde voordeel mee als de POZ voor zelfstandigen”, zegt Hulstaert. “Het trekt het plafond van het bedrag dat u kunt sparen, gevoelig op. Een verschil is wel dat het de vennootschap is die de IPT-premies betaalt en niet de zelfstandige zelf. Daardoor mag de vennootschap de premies aftrekken als beroepskost in de vennootschapsbelasting. Ook met een VAPZ is dat trouwens mogelijk, maar fiscaal gezien maakt dat voor de bedrijfsleider eigenlijk weinig verschil uit. De bedrijfsleider kan de VAPZ-premie dan wel aftrekken in zijn personenbelasting, maar hij zal aan de andere kant ook belast worden op een voordeel alle aard ten belope van de betaalde premie. De vennootschap zal de VAPZ-premie eveneens kunnen aftrekken.”

Liquidatiereserve of IPT?

“Voor veel zelfstandigen die onder vennootschap werken, is een IPT ook een gunstig alternatief voor het systeem van de liquidatiereserve: daarmee laat de ondernemer toe jaarlijks zijn winst na vennootschapsbelasting (waarvan het normaal tarief 29,58% bedraagt) vast te klikken aan 10% roerende voorheffing die de vennootschap dan wel samen met de vennootschapsbelasting voor dat jaar dient te betalen”, zegt Hulstaert. “Bij de IPT zijn de premies volledig fiscaal aftrekbaar zodat de vennootschap op de premies geen vennootschapsbelasting betaalt. Je zal bij de uitkering van het kapitaal wel nog ongeveer 5,55% Riziv- en solidariteitsbijdragen moeten betalen bovenop je 10% personenbelasting (10% als je professioneel effectief actief gebleven bent tot de wettelijke pensioenleeftijd of tot je een volledige loopbaan hebt bereikt volgens de geldende pensioengeving), maar dan nog zal je beter af zijn met het IPT-systeem, net door de fiscale aftrekbaarheid.

Bovendien: de jaarlijks opgepotte reserves via de liquidatiereserve kunnen enkel zonder bijkomende roerende voorheffing worden uitgekeerd bij de ontbinding van de vennootschap, indien vroeger zal nog bijkomende roerende voorheffing verschuldigd zijn (dus nog bovenop de 10%), bij een IPT hoeft de vennootschap niet worden geliquideerd om van de eindbelasting van 10% te kunnen genieten. Een ander voordeel van de IPT  is dat de eindbelasting pas verschuldigd is op het moment dat het kapitaal wordt uitbetaald in tegenstelling tot de liquidatiereserve waarop de vennootschap jaarlijks onmiddellijk 10% dient te betalen op de in dat boekjaar aangelegde reserve.” 

De backservice: een hefboom voor je kapitaal

Nog een belangrijk aspect dat zowel voor de POZ als de IPT geldt, is dat de zogenaamde ‘backservice’-regeling voor beiden geldt. Dit wil zeggen dat u ook ‘met terugwerkende kracht’ premies mag storten. Hulstaert: “Je mag dan als het ware stortingen doen voor het verleden. Meer nog: dat mag zelfs gebeuren voor jaren dat je nog geen zelfstandige was en gewoon in loondienst.

 

Stijn Hulstaert

Stijn Hulstaert studeerde Rechten aan de KULeuven en Fiscaliteit aan de ULB. Hij was voorheen werkzaam als Tax & Legal Advisor bij AG Insurance, en werkte ook twee jaar op de FOD Financiën. In zijn vrije tijd gaat hij graag op reis.