Recent werd een nieuw Wetboek Vennootschappen en Verenigingen geïntroduceerd, dat het vennootschapsrecht grondig hervormt. Daarbij werden ook de bepalingen voor vzw’s (verenigingen zonder winstoogmerk) aangepast. Wat moet u weten? Vijf vragen en antwoorden met Sarah Verschaeve van advocatenkantoor Curia.

Mogen vzw’s economische activiteiten uitoefenen?

Volgens de ‘oude’ wetgeving, die dateert uit 1921, mochten vzw’s in de regel geen economische activiteiten in hoofdorde uitoefenen. Met economische activiteiten worden activiteiten bedoeld die bestaan uit het aanbieden van goederen of diensten op een bepaalde markt waar de vzw concurreert met klassieke, op winst gerichte ondernemingen.

Het nieuwe Wetboek Vennootschappen & Verenigingen (WVV) maakt komaf met deze beperking: vzw’s mogen voortaan dus onbeperkt economische activiteiten ontwikkelen. Wel moeten die activiteiten steeds kaderen binnen het belangeloos doel van de vzw, zoals dat in de statuten bepaald is, en mag er door de vzw op geen enkele manier winst uitgekeerd worden, rechtstreeks noch onrechtstreeks. 

De vzw: het beste van twee werelden?

Nu er binnen de vernieuwde wetgeving voor vzw’s niet langer een verbod geldt op het ontplooien van economische activiteiten, zou je kunnen denken dat het vzw-statuut het beste van twee werelden combineert: enerzijds het relatief gunstige fiscaal-administratief kader van de vereniging en anderzijds de vrijheid om te ondernemen zoals in een vennootschap. In zekere zin klopt dat ook. Een vzw oprichten is nog steeds eenvoudiger dan een vennootschap. Zo is er geen verplichte notariële tussenkomst, moet er geen financieel plan opgesteld worden en geldt er geen oprichtersaansprakelijkheid.

Maar, aangezien de fiscale regels tot op vandaag ongewijzigd zijn, moet een vzw die in hoofdorde economische activiteiten ontplooit, wel rekening houden met het risico dat al zijn inkomsten (d.w.z. de commerciële én de niet-commerciële) getaxeerd worden volgens het regime van de vennootschapsbelasting. Voor de meeste vzw’s is dat absoluut niet wenselijk. Het merendeel van de vzw’s die op grote schaal een economische activiteit willen ontplooien, zullen er dus waarschijnlijk nog steeds voor kiezen om die economische activiteiten vanuit een aparte rechtspersoon te gaan ontplooien, of dat nu een andere vzw of een vennootschap is. Enkel zo kan het gunstige regime van de rechtspersonenbelasting voor de niet-commerciële inkomsten van de vzw gevrijwaard blijven.

Zijn er bepaalde activiteiten die absoluut niet kunnen binnen het vzw-statuut?

In principe zijn er binnen het nieuwe WVV geen beperkingen op het soort activiteiten die een vzw kan uitoefenen, zolang ze maar kaderen binnen het belangeloos doel van de vzw en zolang ze duidelijk omschreven worden in de statuten. Wel kunnen er, als een vzw subsidies krijgt, bepaalde beperkingen opgelegd worden vanuit de desbetreffende subsidiereglementering. Zo moeten maatwerkbedrijven, de vroegere beschutte en sociale werkplaatsen, steeds als hoofdactiviteit hebben om werk en begeleiding op maat te bieden aan personen met een achterstand op de arbeidsmarkt.

Een ander voorbeeld zijn vzw’s die erkend zijn om fiscale kwijtschriften uit te reiken voor giften die ze ontvangen (en waarvoor de donateur een belastingvermindering ontvangt). Deze vzw’s moeten rekening houden met de beperkingen die de fiscale reglementering oplegt op vlak van toegelaten activiteiten. Doen ze dit niet, dan riskeren ze die erkenning te verliezen. 

Hoe als sociaal ondernemer de keuze maken tussen een vzw en een (coöperatieve) vennootschap?

Winstuitkering, onder welke vorm ook, is verboden in een vzw. Wil je met investeerders werken en op een bepaald moment een zekere return on investment of dividend kunnen bieden, dan ben je dus verplicht om voor een vennootschapsstructuur te kiezen. Ook met het oog op een eventuele toekomstige overname van de onderneming door een andere onderneming, biedt een vennootschapsvorm bepaalde voordelen (mogelijkheid van share deal tot asset deal).

Zijn deze factoren niet van belang, dan zal de vzw in veel gevallen toch de aantrekkelijkste optie blijven vanwege de minder zware administratieve last.

Goed om weten: de wet voorziet een procedure die toelaat om een vzw met behoud van rechtspersoonlijkheid om te zetten in een (erkende) coöperatieve vennootschap, erkend als sociale onderneming.

Veel vzw’s genieten van overheidssubsidies of gunstige regelingen voor vrijwilligers. Verandert hier iets?

Op het vlak van subsidiëring verandert er in wezen niets: verenigingen moeten blijven voldoen aan de voorwaarden die gesteld worden voor het verkrijgen van de respectievelijke subsidies (zie ook vraag 3). Vooraleer een gesubsidieerde vzw van start gaat met een nieuwe commerciële activiteit, is het dus belangrijk om die subsidievoorwaarden na te kijken of af te stemmen met de subsidieverlenende overheid. 

Wat betreft vrijwilligers maakt de vrijwilligerswet zelf geen onderscheid tussen vzw’s die wel of niet in hoofdzaak economische activiteiten ontplooien, en op basis daarvan al dan niet in de vennootschapsbelasting getaxeerd worden. Wel zijn er fiscale rondzendbrieven die stellen dat de vrijwilligersvergoedingen enkel onbelast zijn in hoofde van de vrijwilliger indien de organisatie die op hen beroep doet geen onderneming exploiteert of winstgevende activiteiten uitoefent waardoor ze in de vennootschapsbelasting belast wordt. Verenigingen die met vrijwilligers werken en eraan denken om op grote schaal economische activiteiten te ontplooien, overwegen dus best om deze economische activiteiten te ontplooien vanuit een andere rechtspersoon. Op die manier is het zeker dat de vrijwilligers van de oorspronkelijke vzw kunnen blijven genieten van de fiscale vrijstelling van hun vergoeding. 

Sarah Verschaeve

Sarah Verschaeve is Master in de rechten aan de KU Leuven en behaalde een bijkomend diploma aan de University of Chicago Law School. Na haar studies werkte ze voor de internationale zakenkantoren Baker & McKenzie en Linklaters. Momenteel is ze partner bij het Belgisch advocatenkantoor Curia.