De meeste zelfstandigen en bedrijfsleiders kennen de vier data waarop ze de voorafbetaling van hun belastingen in orde moeten hebben, waarschijnlijk wel uit het hoofd. Maar hoe zit dat principe van voorafbetalen nu precies in mekaar? Hoe verlopen de berekeningen? En wat is er nieuw dit jaar? Herman De Cnijf, directeur van de Fiscale Hogeschool in Brussel, legt uit hoe het systeem van de voorafbetalingen in mekaar zit. 

Voorafbetaling, wat is dat?

Voor loontrekkenden is het eenvoudig: elke maand wordt op hun brutoloon bedrijfsvoorheffing ingehouden die aan de fiscus wordt doorgestort. “Voor zelfstandigen bestaat dat systeem niet”, zegt De Cnijf. “Zij zouden in principe dus één tot anderhalf jaar langer over hun geld kunnen beschikken voor dat uiteindelijk naar de schatkist vloeit. In dat jaar zou dat geld, in theorie, een bepaalde opbrengst kunnen opleveren. Om dat voordeel weg te werken, werd het systeem van de voorafbetalingen bedacht.” 

Vermeerdering neutraliseren

Hoe sneller u betaalt, hoe groter uw voordeel.

Het principe dat de fiscus hanteert, is dat u dus een voorafbetaling doet om een belastingvermeerdering te neutraliseren. De Cnijf: “Het tarief van die vermeerdering is gebaseerd op de rentevoet die de ECB hanteert, vermenigvuldigd met een coëfficiënt en bedraagt voor aanslagjaar 2018 (inkomsten 2017) 2,25%. Met andere woorden: bent u € 1.000 belasting verschuldigd en betaalt u niets op voorhand? Dan betaalt u uiteindelijk € 1.022,50.”

Dat is de (eenvoudige) theorie, want de wetgever heeft het wel iets ingewikkelder gemaakt. Zo wordt voor natuurlijke personen deze vermeerdering berekend op 106% van het beroepsinkomen, maar dan wel slechts voor 90% in aanmerking genomen. Klinkt ingewikkeld? Een voorbeeld maakt veel duidelijk: Voor zijn inkomsten over 2017 is mijnheer Mertens, zelfstandig consultant, € 15.000 belasting schuldig. Indien hij geen voorafbetaling doet, wordt zijn belasting vermeerderd met € 15.000 x 106% x 2,25% = € 357,75.

En dus besluit mijnheer Mertens om voorafbetalingen te doen. Daarbij geldt een eenvoudige stelregel: hoe sneller u betaalt, hoe groter uw voordeel. “Doet u een voorafbetaling voor 10 april krijgt u 3% voordeel”, zegt De Cnijf. “Voor 10 juli is dit 2,5%, voor 10 oktober 2% en voor 20 december nog 1,5%.” De oplettende lezer heeft het vast al opgemerkt: het gemiddelde van die vier percentages is, niet toevallig, 2,25%. Precies het tarief van de vermeerdering dat u hiermee ontloopt.

Mijnheer Mertens verdeelt zijn voorafbetalingen gelijkmatig over de vier kwartalen. Hij betaalt dus in de loop van het jaar vier keer € 3.750 per kwartaal. Op die eerste schijf krijgt hij € 112,50 voordeel (€ 3.750 x 3%). Op de tweede schijf € 93,75 (€ 3.750 x 2,5%). Op de derde schijf € 75 (€ 3.750 x 2%). En op de laatste schijf € 56,25 (€ 3.750 x 1,5%). Alles samen bouwt hij zo € 337,50 voordeel op.

Dat voordeel mag hij van zijn belastingvermeerdering aftrekken. Dat betekent dus dat hij geen € 357,75 moet bijbetalen, maar slechts € 20,25 (357,75 – 337,50). Die wordt slechts voor 90% aangerekend, zoals we hierboven als schreven en dus moet hij uiteindelijk maar 18,23€ bijbetalen. “In de praktijk zal dat zelfs 0 euro zijn,” zegt De Cnijf, “want vermeerderingen onder € 50 vervallen. Ook als de vermeerdering minder dan 0,5% van de totale belasting is, wordt deze kwijtgescholden. Dat is een nieuwigheid, want vorig jaar bedroeg die grens nog 1%.” Daardoor wordt de incentive om vlugger te betalen groter. Want nu zal zelfs het storten van de volledige verschuldigde belasting in de maand december meestal toch nog leiden tot een vermeerdering van de te betalen belasting wegens onvoldoende vooraf betalen.

Voor vennootschappen

Het is een incentive om sneller te betalen

Voor vennootschappen is de berekening grotendeels hetzelfde. “Het tarief van 2,25% geldt hier ook, maar de basis van de berekening, bedraagt 103% van de verschuldigde vennootschapsbelasting, niet 106%”, legt de Cnijf uit. “Ook vervalt de 90%-regel bij vennootschappen.”

Opnieuw een voorbeeld: De NV Voorbeeld en Zonen moet € 20.000 aan vennootschapsbelasting betalen. De belastingvermeerdering als er geen voorafbetalingen worden gedaan is € 20.000 x 103% x 2,25% = € 463,50.

De vennootschap doet voor 10 april geen voorafbetaling en krijgt daar dus ook geen voordeel voor. Voor 10 juli wordt er € 10.000 gestort. Daarvoor krijgt ze € 250 voordeel (2,5% van € 10.000). Ook in het derde kwartaal is er geen voorafbetaling. In het vierde kwartaal wordt een storting gedaan van € 8.000. Hiervoor is er 1,5% voordeel of € 120. In totaal bouwt de NV dus € 370 voordeel op. Op het einde van de rit moet het bedrijf dus nog € 93,50 bijbetalen (463,50 – 370). Uiteraard is ze ook nog de € 2.000 schuldig die nog niet vooraf betaald werd.

Bonificatie

Natuurlijke personen die meer voorafbetalingen doen dan nodig is om de belastingvermeerdering te vermijden, krijgen op dat surplus een zogenaamde bonificatie. De Cnijf: “De percentages daarvan bedragen de helft van de percentages van de vermeerderingen, dus voor het eerste tot vierde kwartaal respectievelijk 1,5%, 1,25%, 1% en 0,75%.”

Om dit met een voorbeeld duidelijk te maken, kloppen we terug even aan bij mijnheer Mertens. In plaats van vier keer een gelijkmatige afbetaling te doen, pakt hij het dit keer anders aan. Het eerste kwartaal betaalt hij nog steeds € 3.750 (voordeel: € 112,50). Het tweede kwartaal betaalt hij € 5.000 (voordeel: € 125) en het derde kwartaal betaalt hij € 6.012,50 (voordeel: € 120,25). Op die manier heeft hij op drie kwartalen zijn belastingvermeerdering van € 357,75 volledig weggewerkt en al €14.762,50 belastingen betaald.

Stel nu dat hij in het derde kwartaal meteen al zijn belastingen voor het hele jaar wil wegwerken en dus geen € 6.012,50 betaalt, maar € 6.250. Dan is zijn volledige belastingschuld van € 15.000 voldaan en krijgt hij zelfs een belastingvermindering of bonificatie van 1% op het verschil tussen 6.250 en 6.012,50 of € 237,50. Dat brengt meneer Mertens welgeteld € 2,37 op.

Duw in de rug

Om ondernemers te helpen in de moeilijke eerste jaren, besloot de overheid om deze gedurende de eerste drie jaar van hun bestaan vrij te stellen van voorafbetalingen. “Gedurende die periode past de fiscus dus geen belastingvermeerdering toe als u niet vooraf betaalt”, vertelt De Cnijf. “Dit geldt voor natuurlijk personen, maar ook voor vennootschappen, zolang het maar zogenaamde “kleine of middelgrote vennootschappen” zijn. Een kmo-vennootschap heeft volgens de wetgever minder dan 9 miljoen euro omzet, minder dan 4,5 miljoen euro balanstotaal en minder dan 50 werknemers (VTE).”

herman de cnijf

Bijdrage:

Herman De Cnijf

Herman De Cnijf is directeur van de Fiscale Hogeschool in Brussel en doceert het vak Rechtspersonenbelasting. Hij is eveneens gastdocent aan EMS, de Odisee Hogeschool te Brussel en gewaardeerd spreker op seminaries. Hij is erkend accountant-belastingconsulent en auteur en hoofdredacteur van verschillende boeken over het fiscaal recht.

Verzend